De strijd

Gedurende drie maanden stuurden de Duitsers elke dag een armada van bommenwerpers en gevechtsvliegtuigen naar Engeland in de hoop de RAF in de strijd te lokken om ze daarna te vernietigen. Dag na dag werden de RAF piloten gedwongen om de lucht in te gaan om te strijden. Vaak was dat drie, vier of vijf keer per dag. De Britse luchtverdediging stond zwaar onder druk, maar wist niet van ophouden. De Britse luchtmacht had daarbij de hulp van verschillende piloten die tijdig waren gevlucht uit de landen die Duitsland in de maanden daarvoor waren binnengetrokken. Met name de Poolse piloten blonken uit in moedigheid. Dag in, dag uit trokken zij ten strijde ondanks het feit dat ze nauwelijks ervaring hadden in de techniek en al helemaal geen Engels spraken. Toch bleek al die inzet effectief. In september van dat jaar verloren de Duitsers hun enthousiasme voor de aanval.

Het Duitse verlies is te wijten aan enkele nadelen. Hoewel veel Duitse piloten goed getraind waren dankzij hun betrokkenheid in de Spaanse Burgeroorlog (waar Duitsland het regime van de dictator steunde in woord en daad) was de Luftwaffe niet opgeleid noch uitgerust voor de lange afstand verrichtingen dat deel van de strijd was. Haar tactiek waren gebaseerd op het concept van de dichte luchtsteun voor de grondtroepen. Daarom waren ze, in feite, niet klaar voor de nieuwe campagne. De technische verschillen tussen de gevechtsvliegtuigen aan beide kanten waren verwaarloosbaar: de belangrijkste gevechtsvliegtuigen aan de kant van de Britse luchtmacht (RAF) waren de Spitfire en de Hurricane, terwijl de Duitsers primair gebruik maakten van hun Messcherschmitt vechters en Junkers duikbommenwerpers. Maar om de kansen draaide zich in het voordeel van Groot-Brittanniƫ toen deze zich realiseerde dat het tactische voordeel dat de Duitse jagers in eerdere conflicten hadden ontwikkeld, teniet werden gedaan wanneer de gevechtsvliegtuigen werden gedwongen om begeleiding te bieden aan de Duitse bommenwerper formaties. Deze bleken niet in staat te zijn zichzelf te beschermen.

Tijdens de slag profiteerde de RAF van het feit dat de aanvallen vanaf bases ver verspreidt van elkaar werden gelanceerd. De Britten konden de aanval zo vroegtijdig ontdekken en zo adequate voorzorgsmaatregelen nemen. Een aanvullend voordeel was dat de Britten vochten boven eigen terrein. Piloten die noodlandingen moesten maken of hun toestel moesten verlaten konden zo snel terug in de strijd keren. Bovendien bleek dat de Duitse luchtmacht zich nooit verdiept had in een concept voor strategisch bombarderen. Britse anti-vliegtuigen en civiele bescherming voorbereidingen waren ontoereikend in de zomer van 1940, maar de Luftwaffe was niet in staat om de verwoestende gevolgen aan te richten die door velen werd gevreesd.

Het hoogtepunt van de strijd kwam op 15 september, een dag waarop de Luftwaffe 56 toestellen verloor tegenover 28 van de RAF. Tijdens de twaalf weken durende strijd waren er al 1733 Duitse vliegtuigen vernietigd. De RAF had op dat moment 915 Britse jachttoestellen verloren. Op 17 september erkende Adolf Hitler de groeiende futiliteit van de campagne en besloot om de invasie van Groot-Brittanniƫ voor onbepaalde tijd uit te stellen. Dit betekende echter niet het einde van de bombardementen. De Duitse luchtmacht veranderde van tactiek nam een toevlucht tot willekeurige bombardementen op de grotere steden, waaronder Londen, Plymouth en Coventry.